Print deze pagina Zoek door deze website

Het fluwelen konijn

Er was eens een fluwelen konijn, en in het begin was het echt heel mooi. Het was dik en mollig, zoals  en konijn hoort te zijn; zijn pels was bruin met wit gevlekt, het had echte snorharen, en zijn oren  waren gevoerd met roze satijn. Op Kerstmorgen, toen het bovenin de kous van het jongetje zat geklemd, met een takje hulst tussen zijn pootjes, zag het er snoezig uit.

Er zaten nog andere dingen in de kous, noten en sinaasappelen en een speelgoedlocomotief, en amandelen met chocolade eromheen, en een opwindmuis, maar het Konijn was wel het mooiste van alles. Het Jongetje was minstens twee uur lang dolgelukkig met hem, en toen kwamen er Ooms en Tantes voor het Kerstdiner, en er was een boel geritsel van zijdepapier en pakjes openmaken, en in de opwinding bij het zien van al die nieuwe geschenken werd het Fluwelen Konijn vergeten.

Lange tijd bracht hij in de speelgoedkast door of op de vloer van de kinderkamer, en er was niemand die naar hem omkeek. Hij was van nature nogal schuw, en omdat hij alleen maar van fluweel gemaakt was, deed het duurdere speelgoed erg lelijk tegen hem. Het mechanische speelgoed was erg hoogmoedig, en keek op de anderen neer; zij waren uitgerust met de nieuwste snufjes en beweerden dat ze echt waren. De modelboot, die al zijn verf kwijt was doordat er twee zomers achtereen met hem gespeeld was, had het hoogste woord van allemaal en liet geen gelegenheid voorbij gaan om eraan te herinneren hoe goed hij in technisch opzicht wel in elkaar zat. Het Konijntje kon er geen aanspraak op maken dat hij een model van iets was, want hij wist niet dat er echte konijnen bestonden; hij dacht dat ze, net als hijzelf, allemaal met zaagsel waren gevuld, en hij snapte wel dat zaagsel nogal ouderwets was en in moderne kringen had afgedaan. Zelfs Timotheus, de beweegbare houten leeuw, die gemaakt was door de zieke en gewonde soldaten en ruimere opvattingen zou moeten hebben, stak zijn neus in de wind en beweerde dat hij op goede voet stond met de Regering. Tussen al dit speelgoed moest het arme Konijntje zich wel erg gewoon en onbeduidend voelen, en de enige die toch aardig voor hem was, was het Leren Paard.

 

Het Leren Paard woonde het langste van allemaal in de kinderkamer. Hij was zo oud dat zijn bruine vacht kale plekken had, en de stiknaden schenen erdoorheen, en de meeste haren van zijn staart waren er uitgetrokken om kralenkettingen van te rijgen. Hij was heel wijs, want hij had een lange stoet van mechanisch speelgoed zien komen, dat niets anders deed dan bluften en snoeven, tot al gauw hun opwindveren gebroken waren en ze voorgoed verdwenen, en hij wist dat dit alleen maar speelgoed was en dat het nooit in iets anders zou kunnen veranderen. Want de toverkracht van een kinderkamer is heel wonderlijk en mooi, en alleen speelgoed dat net zo oud en wijs en ervaren is als het Leren Paard begrijpt het allemaal. `Wat is ECHT' vroeg het Konijntje op een dag toen ze naast elkaar lagen, vlak bij de haard in de kinderkamer, voordat Nana op zou komen ruimen. `Betekent het dat je van binnen iets hebt dat zoemt en van buiten een palletje?'

`Echt is niet hoe je gemaakt bent,' zei het Leren Paard. `Het is iets dat met je gebeurt. Als een kind lang, heel lang van je houdt, niet alleen om met je te spelen, maar ECHT van je houdt, dan word je ECHT.'

`Doet dat pijn?' vroeg het Konijntje.

`Soms wel,' zei het Leren Paard, want hij sprak altijd de waarheid. `Als je Echt bent, dan geef je er niets om dat het pijn heeft gedaan.'

`Gebeurt het allemaal ineens, net als opgewonden worden?' vroeg hij, `of stukje voor stukje?'

`Het gebeurt niet allemaal ineens,' zei het Leren Paard. 'je wordt het gewoon. Het duurt een hele tijd. Daarom gebeurt het niet vaak met dingen die gemakkelijk breken, of scherpe randen hebben, of heel voorzichtig behandeld moeten worden. In het algemeen ben je tegen de tijd dat je Echt wordt, meestal kaalgeknuffeld, en je ogen zijn eruit gevallen en je poten bengelen erbij en je ziet er haveloos uit. Maar dat geeft allemaal niets, want als je eenmaal Echt bent, ben je niet lelijk meer, behalve voor mensen die het niet begrijpen.'

`Dan ben jij zeker Echt?' zei het Konijntje. En toen wilde hij maar dat hij dit niet gezegd had, want het Leren Paard was misschien erg gevoelig. Maar het Leren Paard glimlachte alleen maar. `De Oom van het jongetje heeft mij Echt gemaakt,' zei hij. `Dat is jaren en jaren geleden gebeurd; maar als je eenmaal Echt bent, kun je nooit meer onecht worden. Er komt nooit een eind aan.'

Het Konijntje zuchtte. Hij dacht dat het heel lang zou duren voordat die toverkracht die ze `Echt' noemden, over hem zou komen. Hij verlangde ernaar om Echt te worden en te weten te komen hoe je je dan voelde; en toch was het een nogal verdrietige gedachte dat hij eerst kaal zou worden en zijn ogen en zijn snorharen zou kwijtraken. Hij wilde maar dat hij Echt kon worden zonder dat al die vervelende dingen met hem zouden gebeuren.

Er was iemand die Nana heette en die alles in de kinderkamer regelde. Soms schonk ze helemaal geen aandacht aan het speelgoed dat overal door de kamer slingerde, en soms, zonder duidelijke reden, stoof ze er als een wervelwind op af en smeet het haastig in de kasten. Ze noemde het `opruimen' en al het speelgoed had er een hekel aan, vooral het blikken speelgoed. Het Konijntje vond het niet zó erg, want hoe ze ook met hem gooide, hij kwam altijd zacht terecht.

Op een avond toen het jongetje naar bed ging, kon hij zijn Chinese hond die altijd bij hem sliep, nergens vinden. Nana had erg veel haast en het was veel te lastig om tegen bedtijd naar Chinese honden te gaan zoeken, daarom keek ze even rond en toen ze zag dat de deur van de speelgoedkast openstond, pakte ze maar iets. `Hier,' zei ze, `neem je ouwe konijn maar! Hij zal wel bij je slapen!' En aan één oor sleepte ze het Konijntje de kast uit en stopte hem het Jongetje in zijn armen.

Die nacht, en nog vele nachten daarna, sliep het Fluwelen Konijn in het bed van het jongetje. In het begin vond hij het niet zó prettig, want het jongetje knuffelde hem stevig, en soms lag hij bovenop hem, en soms stopte hij hem zover onder het kussen dat het Konijntje bijna stikte. En hij miste ook de gesprekken met het Leren Paard en de lange uren dat het doodstil was in huis en alleen de maan de kinderkamer verlichtte. Maar hij begon het al gauw leuker te vinden, want het jongetje praatte altijd met hem, en maakte mooie gangen voor hem onder de dekens, en zei dan dat het de holletjes waren waarin de echte konijntjes woonden. En ze deden fijne spelletjes samen, al fluisterend, als Nana naar beneden was om te gaan eten en het nachtlampje op de schoorsteenmantel had laten branden. En als het jongetje eindelijk in slaap viel, kroop het Konijntje knus onder zijn warme kin, met de armpjes van het jongetje stevig om hem heen, en droomde de lieve lange nacht.

En zo verstreek de tijd, en het Konijntje was erg gelukkig - zo gelukkig dat hij niet merkte dat zijn mooie fluwelen pels kaler en kaler werd, dat zijn staart begon te rafelen en al het roze van zijn neus verdwenen was op de plaats waar het jongetje hem altijd zoende.

 

Het werd Lente, en ze speelden lange dagen in de tuin, want waar het Jongetje ook heen ging, het Konijntje ging altijd met hem mee. Hij maakte ritjes in de kruiwagen, en ze picknickten op het grasveld, en er werden prachtige toverhutjes voor hem gebouwd onder de frambozenstruiken achter het bloemperk. En op een keer, toen het jongetje plotseling mee moest op theevisite, werd het Konijntje achtergelaten op het gazon, en hij lag daar nog toen de schemering al gevallen was, en Nana moest hem niet de kaars gaan zoeken, want het jongetje kon alleen in slaap komen als hij hem bij zich had. Hij was doornat van de dauw en hij zat vol aarde omdat hij in de holletjes gekropen was die het Jongetje voor hem in het bloemperk gegraven had, en Nana mopperde toen ze heen met een punt van haar schort schoonpoetste. 'Jij moet en jij zal je ouwe konijn hebben,' zei ze. `Wat een kouwe drukte om een stuk speelgoed!'

Het jongetje zat rechtop in bed en strekte zijn handen naar hem uit. `Geef hier mijn Konijntje!' zei hij. `Zulke dingen mag je niet zeggen. Het is geen speelgoed. Hij is ECHT!'

Toen het Konijntje dat hoorde, was hij dolgelukkig, want hij wist dat wat het Leren Paard had gezegd, toch echt waar was. De toverkracht van de kinderkamer was over hem gekomen, en hij was niet langer zomaar een stuk speelgoed. Hij was Echt. Het Jongetje had het zelf gezegd.

 

Originele tekst: http://digital.library.upenn.edu/women/williams/rabbit/rabbit.html